Boen het fruit goed af met heet water. Snijd de schil eraf en knip
deze in smalle reepjes. Doe de reepjes in een pan, tezamen met de suiker en 1
deciliter water. Kook dit mengsel zachtjes in een open pan tot al het water
verdampt is. Neem de schilletjes uit de pan en leg ze op een stuk bakpapier,
zo, dat ze elkaar niet raken. Laat ze twee dagen drogen en bewaar ze in een
goed afgesloten doos.
|
Meng de bloem, zout, 50 gram boter en 3 deciliter water en
kneed dit deeg 5 minuten. Rol het deeg uit tot een lap van 20X30 cm en leg het
deeg een half uur in de koelkast. Neem de rest van de boter een half uur
voordat het gebruikt wordt uit de koelkast. Strooi wat bloem op het aanrecht
en rol hierop de boter uit tot een rechthoek van 12X17 cm. Leg de boterlap in
het midden van de deeglap en vouw het deeg in drieën om de boter. Rol nu de
hele lap uit tot 20X30cm. Leg het deeg weer in de koelkast. Herhaal het proces
(opvouwen, uitrollen, terug in de koelkast) drie keer.
|